Als kind speelde ik graag met Lego. Ik bouwde dan altijd torens.

Eerst een vierkante rand op het bord, en die opbouwen tot zoveel als er blokjes waren.

Vierkante wachttorens, met kleine raampjes.
Alsof ik toen onbewust al bouwde hoe ik later zou omgaan met pijn.

Want in mijn jeugd veranderde ik van basisschool, en op die nieuwe school was ik vaak tweede keuze om mee te spelen.

“Eerst even vragen of iemand anders kan, en anders wil ik wel met jou”, zeiden ze.

Ik leerde mezelf dankbaar te zijn dat ze soms wel wilden.
Al voelde het me tegenzin.

Op de middelbare school ging het door.
Ik werd boven een vijver gehouden door pestkoppen.

Was doodsbang en brak een vinger toen ik te snel terug rende naar binnen.

Aanschouwers bagatelliseerden het, “het was maar een grapje”.

Ik durfde het aan niemand te vertellen, tot mijn moeder het thuis zag.

Ik had vrienden en vriendinnen die voor me door het vuur gingen, maar ik hoorde duidelijk niet bij de ‘populaire meiden en jongens’.

De meiden lieten het weten door mijn kleding te bekritiseren.
De jongens noemden me lelijk en hadden nare bijnamen voor me.

Ik nam het allemaal in me op, verstopte het in de muren van mijn wachttoren.

Thuis werd ik opstandig, rebels en fel.
Alles om maar niet te hoeven voelen hoe kwetsbaar ik me eigenlijk voelde.

Wanneer ik echt een klik voelde met iemand was het te spannend, en nam ik afstand.
Ik wist niet hoe ik kon verbinden zonder mezelf weg te geven.

Aanvoelen, aanpassen, voorkomen dat ik teveel was of te weinig.

En dat zat in mijn systeem, in mijn zenuwstelsel.
Je voelt dat er iets niet klopt, maar je kunt het niet aanwijzen.

Ik voelde altijd feilloos aan wat de ander nodig had, nog voor ze het zelf wisten.
Mijn voelsprieten stonden scherper afgesteld dan gezond voor me was.

De muren van mijn wachttoren waren inmiddels zo hoog en dik.

En af en toe keek ik door die kleine raampjes naar de buitenwereld en voelde ik me opgesloten en leeg.

Van buiten leek het alsof ik het goed voor elkaar had.
Maar van binnen voelde ik me vaak leeg.

Huilen kon ik niet echt meer, voelen al helemaal niet.

Ik liet me helemaal gaan wanneer ik ‘All you need is love’ keek (ik keek altijd uit naar de Christmas special), maar durfde niet bij mezelf naar binnen te kijken.

Tot ik op een dag wel moest kijken.
Langzaam begon ik de muren van die hoge wachttoren af te breken, steentje voor steentje.

En nu ben ik blij als ik huil.

Van de week moest ik huilen in een groep met andere vrouwen en het voelde een cadeau.

Ik voel me veilig in mezelf.
Ik voel me vrij om mezelf te zijn ook als het spannend is.

Om anderen dichtbij te laten komen, zonder mezelf te verliezen.

Om te ontvangen zonder me schuldig te voelen.

Om lief te hebben zonder mezelf weg te geven.

Ik hoef mezelf niet meer te bewijzen of aan te passen.
Ik weet nu dat mijn aanwezigheid genoeg is.

Ik zie mezelf niet als slachtoffer van wat is geweest, ik ben dankbaar voor alles wat me heeft gevormd.

Elke ervaring heeft me dichter bij mezelf gebracht.
De verbinding die ik vroeger zocht buiten mezelf, ontstaat nu van binnenuit.

Herken je iets in dit verhaal?

aanpassen om erbij te horen